home » De Touwtjes in Handen – In Control

De Touwtjes in Handen – In Control

Nou dan, dames en heren, welke kamer zal ze kiezen? Kamer nummer 1, kamer nummer 2, òòòhòf…………kamer nummer 3!!? Welke moet ze kiezen? Publiek? Drieeee…drieeee…twee…drieeeeeeee…één…Nou je hoort het hè? Het publiek zegt drie, maar wat zeg jij? Ga je met het publiek mee, of doe je wat jezelf wil?

Bob zit achter de dikke bordeauxrode gordijnen op zijn kruk te wachten totdat hij de kandidaat weifelend voor drie hoort gaan. Dan staat hij op, pakt het touw met de in rood geverfde ‘3’ erop en haalt deze met volle kracht omlaag. Hij hoort Berrie, de presentator – en ook zijn baas – de kandidaat gek maken, spanning doet het altijd goed. Hij blijft trekken totdat driekwart van het touw op de grond ligt. Oh’s en ah’s uit het publiek en weer iemand die ten overstaan van die geconditioneerde meute een lach moet forceren.

Bob weet het als geen ander: de kandidaat kiest altijd de prijs waar hij niets aan heeft: de auto voor de oudjes – doorgeven aan kind of kleinkind, zodat die fijn met airco naar Frankrijk kan in de zomer – of voor de jonkies – nog geen rijbewijs in zicht dus inleveren die auto en zien hoe ouders er met de prijs vandoor gaan. Ondertussen kiezen de mensen die echt wat aan de auto hebben altijd de troostprijs: een jaarabonnement op een welbekend roddelblad – tevens de sponsor van het programma. Hoe je het ook bekijkt, het is nooit goed en Bob weet dat. Hij doet dit werk al vanaf de start van het programma. Hij zit al tien jaar op dezelfde kruk, achter hetzelfde gordijn, te wachten op de verkeerde keuzes van de kandidaten zonder daar ook maar enige invloed op te kunnen uitoefenen. Dat is ook zijn intentie niet, hij kan en durft voor zichzelf niet eens keuzes maken. Anders had hij hier niet meer gezeten; een besef dat pijn doet, maar tegelijkertijd rust geeft.

Na de uitzending komt Joep, het hulpje van twee meter drie, naast Bob staan.

“Ging goed hè, deze opname? Er hoefden maar twintig van de 25 minuten opnieuw.”

Joep lacht. Bob kijkt op en ziet de lange jongen tot aan de hemel reiken.

Joep is een van de weinige mensen bij wie hij zich redelijk op zijn gemak voelt. Joep trekt zich niets aan van mensen – hun doen en laten. Of Joep wel of juist geen mensenkennis heeft, weet hij nog steeds niet.

“Berrie vraagt naar je. Je moet nú naar hem toe. Je zal waarschijnlijk een seconde te laat aan het touw getrokken hebben.”

Bob glimlacht, maar weet dat Berrie niet zomaar zijn pauze opoffert.

“Dank je. Ik ga zo.”

Joep knikt, springt met de bezem tussen zijn benen weg en hinnikt. Bob kan, terwijl hij het touw weer aan de haak hangt, zijn lach niet onderdrukken.

Op de deur hangt een kleine spiegel, net groot genoeg om een gezicht erin te zien. Boven de spiegel hangt de tekst ‘Nee, pech…’ eronder ‘…er kan maar één Berrie zijn’. Hij klopt aan.

“Kom binnen.”

Hij doet de deur open en steekt zijn hoofd door de kier.

“U wilde mij spreken meneer Klapschuit?”

“Als dat Bob niet is. Hoe vaak moet ik nu nog zeggen dat ik je en jij ben en Berrie heet?”

Berrie staat met zijn linkerarm woest te gebaren dat hij mag binnenkomen, met het doekje in zijn rechterarm haalt Berrie het zweet van zijn gezicht. Bob loopt naar binnen en blijft onhandig staan. Berrie neemt een te grote slok uit een rumfles en hoest.

“Ook wat drinken? Ga lekker zitten. Hoe gaat het met je?”

Berrie forceert een glimlach en Bob ziet zijn onnatuurlijk witte tanden. De vraag hoeft niet beantwoord te worden, maar toch;

“Z’n gang……”

“Jij vraagt je zeker af waarom ik jou wil zien?”

Hij denkt aan wat Joep gezegd heeft, haalt zijn schouders op en gaat zwijgend op een stoel zitten. Berrie dept nog na en plukt, terwijl hij in de spiegel kijkt, aan zijn wimpers.

“Dat zal ik je vertellen.”

Berrie draait met zijn stoel en zit bijna met zijn knieën tegen die van hem. Hij probeert een beetje ruimte voor zichzelf te creëren door rechter op te gaan zitten. Het helpt amper en hij wordt onrustig. Ruimte is nodig voor gemak.

“Je weet dat het programma al een lange tijd draait, sterker nog, jij bent er vanaf het begin bij geweest, toch?”

Het blijft te lang stil; er moet een antwoord komen.

“Ja, de volle tien jaar.”

“Wat gaat die tijd toch snel hè? En geen enkele dag ziek geweest, toch?”

Weer een lange en ongemakkelijke stilte. Hij had gehoopt dat Berrie het spel deze keer wat simpeler zou houden. Helaas.

“Nee, geen enkele dag ziek.”

“Zoals je dan vast en zeker gemerkt hebt, heeft het programma niet stilgestaan en de techniek eromheen ook niet.”

Bob knikt en schuurt onrustig over zijn stoel, kijkt Berrie van onder zijn wenkbrauwen aan. Hij ziet een van de schmink bruin geworden zweetdruppel over Berries neusvleugel onder de zwaartekracht bezwijken.

“Er is tegenwoordig handige techniek die sommige personen overbodig maakt. En Bob, jij bent zo’n persoon. Ik vind het echt heel, heel erg voor je, ik zou het anders doen als het kon, maar ik heb ook een baas, begrijp je? Vast wel.”

Berrie fronst en legt onhandig een hand op de schouder van Bob. Hij krimpt ineen, Berrie trekt zijn hand vlug weer terug en veegt hem aan het doekje af.

“Ga ik nu weer naar de schmink en de laatste show van vandaag draaien. Het gaat goed, vind je ook niet?”

Een retorische vraag, antwoord is niet gewenst, want Berrie draait zich om, gaat voor de spiegel zitten, staart zichzelf in de ogen en knipoogt. Bob haalt diep adem.

“O ja, vergeet ik nog bijna: het spul komt over twee dagen en gaat volgende week aan. Dit wordt je laatste week.”

Bob staat op, kijkt naar Berries spiegelbeeld, die zijn oh zo beroemde presentatorglimlach terugketst. Net voor hij de deur achter zich sluit, ziet hij Berrie weer naar de rum grijpen – dus daar haalt hij die eeuwige lach vandaan.

Jaha, dames en heren, er zijn weer prijzen te winnen, vele prijzen, mooie prijzen, dure prijzen. Met een beetje geluk gaat één van deze twee kandidaten vanavond naar huis met een gloednieuwe autoooooooo!

Het publiek applaudisseert op commando.

Hij zit weer achter de zware donkere gordijnen. Hij had het gesprek met Berrie best anders kunnen aanpakken. Genoeg in zijn hoofd, alleen het lijntje naar zijn mond ontbreekt altijd. Wat in zulke situaties belangrijk is, is ruimte bewaren en door blijven ademen. Alleen het gedeelte dat dat regelt blijft toegankelijk, de rest gaat op slot, met de sleutel buiten bereik.

Terwijl hij zichzelf pijnigt over hoe te zorgen dat de sleutel altijd bij de hand is, komt er uit een spleet in de muur een muis tevoorschijn. Het diertje kijkt schichtig om zich heen en besluit het aan te durven. Het kruipt door de spleet de ruimte in. Eenmaal in deze open ruimte lijkt het nog kleiner dan Bob dacht dat het was. Het tast de ruimte af, ontdekt een nieuwe wereld met een nieuwsgierigheid die Bob verrast. Hij schudt zijn been een beetje heen en weer, een tic die hij in de vele jaren op de kruk opgebouwd heeft. De muis schrikt en kijkt op. Ze maken oogcontact. Ze wil wegduiken, maar kan de spleet waaruit zij tevoorschijn gekomen is niet meer vinden. Neus en -haren gaan rap heen en weer. Net als haar hart, denkt Bob.

Geen weg meer terug nu. Wat ga je kiezen?

Na de eerste paniekaanval merkt de muis dat hij geen kwaad wil doen en wordt rustiger, durft zelfs wat dichterbij te komen. Gek eigenlijk dat zo’n diertje eerst de bevestiging van iets of iemand anders nodig heeft om zich te durven manifesteren. In plaats van zelf de ruimte op te eisen, zal het altijd achter de feiten aan blijven lopen, zal het altijd afhankelijk zijn van wat de omgeving om haar heen doet.

Het publiek heeft gesproken, maar wat zeg jij? Kamer nummer twee? Zeg je echt kamer nummer TWEE?

Hij heeft geen eten bij zich, maar het lijkt alsof ze daar ook niet voor komt. Pure nieuwsgierigheid is wat haar, hoe schichtig ook, drijft. Hij realiseert zich wat hem ontbreekt: diezelfde nieuwsgierigheid. Het maakt niet uit hoe verlegen, a-sociaal, afhankelijk en wereldvreemd je bent, de nieuwsgierigheid naar mensen, omgeving, situaties is dat wat je in het heden kan houden en wat zorgt dat je keuzes maakt. Het enige dat hij kent is het verleden, de dingen die hij al weet, de dingen die hij gezien heeft, niet de dingen hij ziet – hij ziet en kiest niets achter de hoge bordeauxrode muur waarachter hij verscholen zit.

Dus je wilt echt kamer twee zien? Weet je het heel, heel zeker? TWEE?!

Hij schrikt en beseft dat Berrie de afgelopen dertig seconden op zijn altijd subtiele wijze heeft proberen duidelijk te maken dat de kandidaat al een keuze gemaakt heeft. Het gordijn had allang omhoog moeten zijn. Hij pakt snel het touw met de ‘2’ van de haak en gaat eraan hangen. De gordijnen gaan open. Geklap van het publiek.

Nadat hij zijn plicht heeft gedaan en Berrie weer vrolijk verder buldert achter het gordijn, steekt hij heel voorzichtig zijn vinger naar de muis uit, die ondanks alle commotie nog steeds onder de kruk zit. Dan komt Joep op zijn bezem de ruimte instormen.

“Woehoe.”

De muis schrikt en drukt zichzelf, achter de poten van Bob zijn kruk, helemaal tegen de muur aan. Hij draait zich om en ziet haar met dwingende noodzakelijkheid op zoek gaan naar een schuilplaats. Bob kijkt Joep boos aan.

“Wat?”

Bob schudt zijn hoofd.

“Wat? Wat heb ik gedaan?”

Dan beseft hij dat Joep, die met een groot vraagteken op zijn gezicht hulpeloos op zijn bezem leunt, er niets aan kan doen. De muis is zoals ze is, hij heeft haar waarschijnlijk niet eens gezien. Hij kijkt schuin langs de kruk en ziet haar staart nog net in een spleet verdwijnen.

“Laat maar Joep.”

Joep begrijpt niet precies wat er net gebeurd is, maar hij laat het varen. Hij wil weten of Bob zich heeft kunnen verweren tegen Berrie. Bob merkt hoe nieuwsgierig Joep is; Joep kent hem al langer dan vandaag.

“En? Wat had die Klapschuit te melden?”

“Ik ben ontslagen.”

“Waar komt dat opeens vandaan?”

“Er komt een machine die mijn werk gaat overnemen. Ik ben overbodig.”

“Hoe kan dat nou?”

“De nieuwe techniek heeft ruimte nodig en ik besla er te veel van. Grappig, vind je niet? Deze week heb ik de touwen voor het laatst in handen.”

Joep zet zijn bezem tegen de muur en gaat in kleermakerszit voor hem op de vuile grond zitten. Niet te dichtbij natuurlijk, Joep weet dat Bob ruimte nodig heeft. Zelfs nu komt Joep bijna boven hem uit.

“Nee Bob, je krijgt nu juist de touwtjes in handen. Geen Berr…”

“Geen rust meer…” valt hij Joep kribbig in de rede.

Joep schudt zijn hoofd in onmacht. Op dat moment komt de muis weer tevoorschijn. Bob ziet wat bewegen en buigt voorzichtig voorover. Als ze onder de kruk staat, steekt hij zijn wijsvinger uit en gaat zij op haar achterpoten staan. Een fractie van een seconde raken ze elkaar aan – beide bewust van hun keuze. In plaats van dat ze bij de aanraking hun nieuwsgierigheid overschat hebben, blijven ze rustig zitten. Hij trekt zijn vinger weer weg en kijkt Joep aan, die het, aan zijn blik te zien, niet kan geloven wat er net gebeurd is.

Bob staat voor zijn deur, moe. Hij tuurt door het kijkgat in zijn deur de hal in, alsof hij net gebeld heeft en verwacht dat een ander de deur voor hem opendoet. Dat gebeurt niet, dat gebeurt nooit. Hij pakt de sleutels en opent de deur, gaat naar binnen en sluit de deur zacht, trapt zijn schoenen uit als hij bij de kapstok staat. Hij loopt de keuken in, maakt twee sneeën brood voor zichzelf en gaat aan de tafel bij het raam zitten. Op het balkon zit een meesje te pikken van wat kruimels die hij die ochtend in het vogelhuis gestrooid heeft. Er is niet veel meer over, het recht van de sterkste heeft al gegolden de afgelopen uren, en toch lijkt het vogeltje tevreden en voldaan weer weg te vliegen. Als hij klaar is, zet hij zijn bord op de andere vijf op het aanrecht, gooit het mes in de spoelbak. Hij loopt naar de koelkast en haalt een verfrommeld papiertje en een magneet uit zijn broekzak. Met de uit het decor gestolen bordeauxrode magneet klemt hij het adres en telefoonnummer van Joep op de deur. De buitenwereld is binnen, de keuze is gemaakt. De nieuwsgierigheid naar die onbekende wereld overvalt hem.

Dan pakt hij een pak melk en drinkt. Hij loopt langs de huiskamer; dezelfde als vanochtend, alles staat en ligt nog zoals hij het achtergelaten heeft, alleen het stof heeft zich verplaatst en uitgebreid. Net als hij, zoals altijd, naar boven door wil lopen, ziet hij in zijn ooghoeken wat bewegen en klikt het licht aan. Hij loert de kamer in en beseft hoeveel ruimte hij eigenlijk tot zijn beschikking heeft, ruimte waarvan hij vergeten was, dat hij die had. Nerveus stapt hij de drempel over en loopt hij naar de tafel. Er liggen wat papieren en een tijdschrift dat ooit per ongeluk bij hem terecht gekomen is. Hij heeft het nooit bij de buren in de brievenbus gestopt. Hij tuurt langs de plinten, maar kan geen beweging ontdekken. Het zal wel gezichtsbedrog geweest zijn. Plotseling voelt hij zich te groot voor de kamer en loopt hij weer snel de verlichte ruimte uit, het is genoeg geweest voor vandaag. Met de hand door de deuropening, klikt hij het licht achter zich, toch met enige tegenzin merkt hij, weer uit. Dan gaat hij de trap op, de slaapkamer in.

Hij zit op zijn bed. De kleine zwart-wit televisie – antenne met plakband aan de muur bevestigd – laat het gezicht zien van Berrie en zijn stem vult de kamer: Welke kamer moet hij kiezen? Publiek? Hij zucht met een glimlach, staat op, zet de televisie uit en klimt in bed. Het is een lange dag geweest.

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Scroll to Top